DRAWING LINES, CONNECTING DOTS

The exhibition Wakaman: Drawing Lines Connecting Dots from 20 February to March 1th in Paramaribo drew a large crowd to Fort Zeelandia, Paramaribo. The exhibition was visited by over 1000 visitors and gained mayor attention in the local daily 'De Ware Tijd'.

Remy Jungerman (right) one of the initiators of the project gives an opening speech while spoken word artist Ori Plet is awaiting his opening performance.

Overview of the first floor

Overview of the second floor
Below you'll find the articles as published in 'De Ware Tijd' (in Dutch)
Tentoonstelling Wakaman experimenteert met hedendaagse Surinaamse kunst
12/02/2009
Paramaribo - Van zaterdag 21 februari tot en met zondag 1 maart loopt in Fort Zeelandia de tentoonstelling Wakaman drawing lines – connecting dots. De tentoonstelling is gratis te bezichtigen.
In samenwerking met ReadyTex Art Gallery openen Gillion Grantsaan en Remy Jungerman op vrijdag 20 februari de tentoonstelling met onder anderen Stanley Sidoel, hoofd van het directoraat Cultuur van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, woordkunstenaar Ori Plet en veel hedendaagse Surinaamse kunst. In 2006 ontwikkelden de kunstenaars Gillion Grantsaan en Remy Jungerman het Wakaman-project als onderzoek naar de positie van kunstenaars van Surinaamse orgine en met als doel een aanvulling te geven op de schaarse documentatie over hedendaagse Surinaamse kunst.
Vier maanden lang hebben drie Surinaamse kunstenaars wonende in Suriname (Marcel Pinas, Ori Plet en Kurt Nahar) samen met drie Surinaamse kunstenaars wonende in Nederland (Iris Kensmil en Patricia Kaersenhout) en de Verenigde Staten (Charl Landvreugd) intensief contact met elkaar gehad. Ideeën werden uitgewisseld, beelden en concepten werden verstuurd en gesprekken werden gevoerd met als resultaat gezamelijke kunstwerken, die te zien zijn op de tentoonstelling Wakaman.
Half mei 2009 verschijnt tevens het boek Wakaman drawing lines – connecting dots, waarin uitvoerig wordt ingegaan op het project, het samenwerkingsproces en de dialoog tussen de zes kunstenaars. Het boek Wakaman wordt samengesteld door onder anderen Chandra van Binnendijk en Marieke Visser. Naast de tentoonstelling zijn er ook twee speciale events die te maken hebben met hedendaagse Surinaamse kunst.
Op zaterdag 21 februari zijn er op het balkon van het Nola Hatterman Instituut interviews met Marcel Pinas, Kurt Nahar en Rene Tosari over hun buitenland ervaringen en de verschillende kunstenaars-initiatieven in Suriname. De dag daarop wordt er in Huis 9 een lezing verzorgd door kunsthistoricus Adi Martis over Caribische kunst en wordt de AVRO-documentaire ‘Zwart Belicht’ van Tessa Boerman vertoond. De film onthult de zwarte personages op beroemde en minder beroemde kunstwerken. Beide avonden zijn gratis toegankelijk en beginnen om 19:30 uur.-.
Een apart initiatief waarbij kunstenaars uit Suriname, Nederland en de Verenigde Staten samen zullen exposeren. De Ware Tijd ging op de koffie met de kunstenaars en presenteert hun verhaal de komende dagen aan u. Maar vandaag praten wij eerst met de twee kunsthistorici die zijn meegereisd voor het project: Jan Alexander ‘Adi’ Martis en Rob Perreé.
“Op elke Nederlander die komt, moeten twee Surinamers worden uitgezonden”
“Ik hoop hier veel te zien en ga dan ook kunst en kunstcollecties opzoeken. Ik ken een paar Surinaamse kunstenaars, maar aangezien het mijn eerste keer in Suriname is, wil ik veel meer zien en horen over ze. Waar ik kan, zal ik mijn mening geven. Lering trekken is daar ook onderdeel van.” Adi Martis is Antilliaan, maar heeft bijzonder veel affiniteit met de Suriname. Hij is reeds langer dan 15 jaar bevriend met Remy Jungerman, maar kreeg in zijn jonge jaren op Aruba les van een Surinamer. In de loop der jaren is hij vaker in contact gekomen met Surinamers. Als kunsthistoricus heeft Martis altijd belangstelling gehad voor het Caribisch Gebied, hetgeen hij heeft vervat in een boek, maar ook vaak uit middels lezingen. Kunstenaars als Marcel Pinas en Kurt Nahar zijn hem bekend, maar dan meer van plaatjes.
Rob Perreé schrijft als kunsthistoricus veel over kunst en maakt ook zijn eigen tentoonstellingen. Hij heeft zich jarenlang bezig gehouden met Afrikaans-Amerikaanse kunst en met de hedendaagse Afrikaanse kunst. Perreé heeft acht maanden in de Verenigde Staten gewoond om te schrijven over de Afrikaans-Amerikaanse kunst. “Toen ik terugging naar Nederland, zei mijn buurman in de Bijlmer ‘je wordt door Surinamers omringd, maar je gaat helemaal naar Amerika om over ons te schrijven’. Deze opmerking is mij altijd bijgebleven. Ik zoek de kunstvormen op waarvoor de belangstelling enigszins is beperkt.”
Veel topkunstenaars heeft Suriname niet, maar naar zeggen van Martis moeten wij wel reëel blijven op dat stuk. “Op een inwoners aantal van 500.000, hoeveel topkunstenaars zou je kunnen hebben? Er is veel potentie”, geeft hij toe. “Zij moeten de kans krijgen om hun ding te doen.” Perreé is van mening dat een aantal Surinaamse kunstenaars veel meer belangstelling verdient. Hetgeen hij tot nu toe heeft gezien, is zeer goed. Alleen daarom zouden ze meer gepromoot moeten worden. “Ook in Nederland. Daar gebeurd het nog te weinig.” De oorzaak moet volgens de kunsthistoricus worden gezocht in onkunde en veroordeling van het onbekende. Ook voor de Afrikaanse kunst is er nauwelijks belangstelling. “Angst is daar de oorzaak van. Het westen is bang overruled te worden door andere culturen. Zij hebben eeuwenlang het heft in handen gehad en zijn bang dat kwijt te raken.” Perreé zegt veel Caribische kunst te hebben gezien: op Curacao en in Rotterdam. Als hij de Surinaamse met de Afrikaans-Amerikaanse kunst zou vergelijken, dan zit het verschil daarin dat in Amerika zwart zijn minder een issue is. “Hier speelt het nog een rol. In Amerika weet je niet dat sommige kunstwerken zijn gemaakt door een zwarte, maar dat wil niet zeggen dat ze hun afkomst verloochenen. Het is uiteindelijk kwaliteit dat telt en geen afkomst.”
Martis benadrukt dat het contact met de regio belangrijk is. “Wat schieten wij op met veel geld? Voor elke Nederlander die er komt, zouden twee Surinamers moeten worden uitgezonden. Ook naar de regio (bijvoorbeeld Cuba die een goede kunstacademie heeft) of de Verenigde Staten. Er is nu veel geld en Suriname stroomt vol met de Nederlanders, waar wat heeft het land eraan? Ik maak me daar echt zorgen over.” De kunst in Suriname moet meer gestimuleerd worden en de midden klasse zou meer moeten kopen van de eigen mensen. De jeugd moet ook in de gelegenheid worden gesteld om kunst te zien. Perreé heeft ook een uitgesproken mening op dit stuk. “Dit zijn snoepreisjes voor ons. Wat mij mateloos stoort, is dat steeds meer Nederlandse deskundigen naar Suriname komen, terwijl de Surinamer uitstekend in staat zijn het zelf te doen. Wij hoeven ons er echt niet mee te bemoeien. Marcel Pinas weet toch zelf wel hoe hij mensen hier moet bemoedigen in de kunst?”
Martis vindt dat de kunst op dit moment nog heel erg westers is. “Kunstenaars moeten proberen hun eigen thema’s te gebruiken. Nu is het niet echt en zien we steeds palmbomen, strand of ondergaande zon. Maar ze zouden meer moeten doen vanuit de eigen geschiedenis. Zoals bijvoorbeeld de marronkunst, die ontzettend uniek is.” Kunstenaars moeten uit het traditionele durven te stappen, gaat de kunsthistoricus verder, en moeten zij uitkijken voor folklorisme.
Voor Suriname begon de verandering in de jaren 60, met de terugkeer van nationalisten als Eddy Bruma uit Nederland. Daarna kwam er een nieuwe generatie met nieuwe ideeën, een proces dat nog steeds aan het groeien is.
Van Wakaman verwacht Martis veel. Het proces naar de tentoonstelling toe, is echter van grotere waarde. Het idee voor Wakaman ontstond in 2005, toen ook de eerste Wakaman tentoonstelling werd gehouden in Rotterdam door Remy Jungerman, Michael Tedja en Gillion Graanzand. Zij nodigden toen Dwight Marica uit voor deelname. “Er moet over worden nagedacht wat we zijn en hoe gaan we verder. Hoe zoeken wij contact met het moederland? De interactie is belangrijk en ik hoop dat het dingen losmaakt. Ik hoop dat Wakaman blijft lopen en iets genereert.” Waar nodig zal Martis helpen aan dit proces. Op zondag 22 februari geeft hij een lezing over Caribische kunst.
Voor Perreé is Wakaman een en al spanning, aangezien hij niet weet wat er gaat gebeuren. “Dit noem ik pas uitwisseling dat beide groepen elkaar respecteren. Ik zie het project als een fase in de ontwikkeling van de Surinaamse kunst.” De kunsthistoricus zal over deze ervaring een boek schrijven, maar ook artikelen neerpennen voor tijdschriften. “Wat hier gebeurd, breng ik onder de aandacht van een breder publiek. Ik hoop dat de tentoonstelling ook naar Nederland komt.”-.
Morgen een gesprek met de kunstenaars Marcel Pinas en Charl Landvreugd.
door Rosita Leeflang
19/02/2009
Paramaribo - Wakaman drawing lines – connecting dots is de tentoonstelling die komende vrijdag begint en tot en met 1 maart zal staan in Fort Zeelandia. Een apart initiatief waarbij kunstenaars uit Suriname, Nederland en de Verenigde Staten samen zullen exposeren.
De Ware Tijd ging op de koffie met de kunstenaars en presenteert u deze week hun verhaal. Vandaag praten wij met de kunstenaars Marcel Pinas en Charl Landvreugd, die bij elkaar zijn gebracht om te exposeren.
“Wij willen mensen bewegen over dingen na te denken”
Terwijl Marcel Pinas (Suriname) spullen uit zijn auto overbrengt naar de expositie ruimte, neemt Charl Landvreugd (New York) alles nog langzaam in zich op. Na 27 jaar niet meer in zijn geboorteland te zijn geweest, is dat te begrijpen. Al nippend aan bekertje koffie neemt hij uiteindelijk plaats en vertelt over zijn levensloop. Als jongen van vier vertrok Landvreugd naar Nederland en vestigde zich in Rotterdam. Landvreugd kwam daarna nog een keer terug, in de jaren 80, maar vestigde zich uiteindelijk in de Verenigde Staten en woont nu in Manhatten, New York. “Ik ben nooit teruggekomen vanwege al de verhalen die ik hoorde. Dat we hier verraders werden genoemd, omdat wij het land hadden verlaten”, gaat hij in op de reden waarom het bijna drie decennia heeft geduurd alvorens hij weer voet op Surinaamse bodem zette. “Ik hoorde dat mensen niet blij met ons waren. Maar ik ben blij dat ik er ben. Het is er zo mooi”, veranderd de toon in zijn stem. “De mensen zijn vriendelijk en ik voel me thuis. Ik ben echt thuis gekomen.”
Het is niet verwonderlijk dat Landvreugd zijn levenswandel hem in de richting van de kunst bracht, want zoals hij zelf vertelt, is hij als kind altijd anders geweest. “Ik heb als kind ballet gedanst, maar moest stoppen vanwege een blessure.” Landvreugd heeft ook gemodelleerd, maar keerde terug naar de danswereld. Hij werd creative director van een discotheek in Nederland, waarbij alle acts door hem zelf werden bedacht. Maar daar kreeg de kunstenaar na een poos genoeg van. “Mijn handen jeukten mij. Echt letterlijk, dus besloot ik mijn leven als kunstenaar te wijden en begon aan een collage van portretten.” Tot zijn grote verbazing werd hij aangenomen op de prestigieuze Goldsmith’s Academie in London, Engeland, waar hij zich ging toeleggen op filosofie. Op dit moment is hij bezig met zijn masters in Critical Studies, met de concentratie op zwarte diaspora.
Nu maakt Landvreugd sinds vier jaren sculpturen en video’s. “Toen ik mijn allereerste sculptuur maakte, zag ik het tot leven komen. Mijn hart sprong op. Het is een ding op zich, met een andere dimensie.” De sculpturen van de kunstenaar zijn koppen en hoofden en worden op de grond geplaatst. Het gaat namelijk om zwarte traditionele kunstvoorwerpen, die gebruiksvoorwerpen zijn. Het gaat in deze niet om de westerse kunst, waar je slechts naar kijkt. “Kunst in de zwarte cultuur is geïntegreerd in het mens zijn.” Naast sculpturen is Landvreugd ook beeldverslaafd. Hij is gek op reclame en films. Vijf jaar geleden maakte hij zijn eerste film met zijn mobiele camera. Het editen doet hij op de computer. “Het materiaal is vaag. Maar het is precies die vaagheid die ik wil, want dat is de kwaliteit die je krijgt, die symbool staat voor zoveel andere dingen in het leven.”
Pinas is intussen aangeschoven en luistert geboeid naar de uiteenzetting van Landvreugd. Zelf is Pinas ooit eens ook begonnen als schilder, maar wilde op een bepaald moment meer dan dat. “Ik wilde de gewone man ook bereiken en kon dat niet alleen met mijn schilderijen. Ik moest 3D gaan werken.” Nu is Pinas vooral bekend om zijn installaties op openbare plekken. Daarbij maakt de kunstenaar gebruik van objecten uit de marron cultuur. “Ik wil ze confronteren met wat ik maak. Het heeft een zekere lading en bewustwording.”Deze twee kunstenaars, die de traditionele kunst achter zich hebben gelaten, hebben elkaar sinds enkele dagen ontmoet, maar komen elke dag opnieuw achter hun gezamenlijke interesses. Het komen op een idee voor hetgeen zij tentoon willen stellen tijdens Wakaman, was dan ook snel gevonden. “Wij willen werkstukken in een vitrine kast plaatsen. Er komen onder andere medicijn flessen uit het binnenland, die symbool staan voor kennis”, zegt Pinas. Het werk van de mannen overlapt elkaar. Voor Pinas is het kibri yu culturu en voor Landvreugd is het hoe breng je daar verandering in. Landvreugd: “Er zit veel kennis in de flessen, die mensen niet hebben. De andere kennis zit in boeken en wij laten deze twee met elkaar verstrengelen. Ik wil dan ook werken met lokaal materiaal.” Door zijn speciale relatie met suikerriet, zal Landvreugd met dit materiaal exposeren. “Suikerriet heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van kennis in Europa. Ik omhels het slaven verleden, maar ik heb ook rechten in Europa, want door de suikerriet is het daar allemaal tot stand gekomen.”
De kunstenaars weten dat hun werk vragen zal oproepen. Dat is juist waar ze naar toe willen. Discussie. “We willen de mensen triggeren, zodat zij gaan nadenken over dingen. Ze mogen ook boos worden op datgene dat ze zien. Emotie: daar gaat het om.” Pinas vervolgt. “Mensen denken echt dat het gemakkelijk is om een kunststuk in elkaar te zetten. Maar dat is het geenszins. Het is een vak op zich. En als je goed bent, hoop je dat je het publiek kunt vervoeren door de schoonheid, maar ook bewegen over dingen na te denken.”
Dat zij aan elkaar zijn gelinkt, vinden de kunstenaars fantastisch. Pinas: “Het klikte gelijk en wij zijn een grote ondersteuning naar elkaar toe. Charl komt zeker terug voor een project in Marowijne.”
“Wij zijn op dezelfde dag in het zelfde jaar geboren (22 maart 1971...red),” bekend Landvreugd al lachend. Ze blijven beiden een moment stil, alsof ze dit gegeven moeten laten bezinken. Een mooi moment was het zeker toen ze daarachter kwamen. Dan gaat Pinas verder. “Samenwerking tussen kunstenaars is belangrijk. Het wordt tijd dat wij onze plek in de wereld gaan opeisen. Maar daarvoor moeten wij eerst bij elkaar komen en Wakaman biedt daartoe een uitstekende gelegenheid.” Voor Landvreugd wordt het zijn eerste grote expositie. Trots is hij dat dit in Suriname gebeurd.-.
Morgen een gesprek met de kunstenaars Orfeo Plet en Patricia Kaersenhout
Tekst en beeld moeten emoties losmaken
door Rosita Leeflang
20/02/2009
Wakaman drawing lines – connecting dots is de tentoonstelling die vandaag begint en tot en met 1 maart zal staan in Fort Zeelandia. Een apart initiatief waarbij kunstenaars uit Suriname, Nederland en de Verenigde Staten samen exposeren. De Ware Tijd ging op de koffie met de kunstenaars en presenteert u deze week hun verhaal. Vandaag praten wij met de kunstenaars Orfeo ‘Ori’ Plet en Patricia Kaersenhout, die bij elkaar zijn gebracht om te exposeren.
Hij is een rapper in Suriname. De man van de spoken words. Zij doet aan beeldende kunst in Nederland. En legt emoties vast. Orfeo ‘Ori’ Plet (30) en Patricia Kaersenhout (42) zijn voor deze kunstexpositie samen gebracht. Plet vertelt dat het allemaal op zijn veertiende begon. Hij deed mee aan een benefietavond van de school en is er nog steeds mee bezig. “Het was nooit de bedoeling dat het zo ver zou komen.” Met zijn werk laat hij zich uit over het alledaagse leven: criminaliteit, discriminatie, respect, geloof.

dWT foto / Werner Simons
Patricia Kaersenhout (l) en Orfeo 'Ori' Plet voor het bord met de vele gezichten van Plet. Dit bord is ook onderdeel van de tentoonstelling.
In het verleden heeft hij vaker opgetreden in de Anthony Nesty Sporthal of tijdens hiphopavonden. Maar Plet was ook onderdeel van Bolletjes Blues Estafette en Crime Jazz. “Mijn doel is om mensen te bundelen en ze meegeven dat ze niet alleen in de strijd staan. Iedereen is ongeveer hetzelfde, maar toch heeft iedereen iets anders. Ook door de omgeving waarin we zitten. Wij zijn allemaal ledematen van één lichaam en proberen daar het beste van te maken.”
Kaersenhout heeft de kunstacademie in Amsterdam doorlopen en werkt met verschillende disciplines. “Ik werk met de dingen die een beetje horen bij het zwart zijn. De rode draad in mijn werk is de zichtbaarheid van zwarte mensen in een blanke samenleving.” De kunstenares is een tijd ook docent geweest en kwam erachter dat in de maatschappij van de 17e eeuw het zwart zijn verdween door de kleur die werd gebruikt. Ook in letterlijke zin gebeurde dat. “Dat heeft me aan het denken gezet. Ik ben toen mensen uit Suriname gaan schilderen op een donkere achtergrond, met gebruik making van lichtere plekken waardoor ze worden opgelicht.”
Toen kreeg Kaersenhout het boek Invisible Man in handen. Het verhaal speelt zich af in de jaren 40, waarbij de hoofdpersoon er alles aan doet om gezien te worden in de maatschappij. Hij gaat vervolgens in een kelder leven verlicht door 1369 lampen. En zo zit het boek vol paradoxen. “Dit boek heeft veel in mij losgemaakt in mijn werk.”
De kunstenaars zijn vanuit hun eigen achtergrond nagegaan wat hen bindt en kwamen uit op deze ‘onzichtbaarheid’. Kaersenhout: “Er zijn dingen gebeurd die wij niet kunnen verklaren, maar wel heel bijzonder zijn. Ik had Ori nog nooit gezien en ben hem toch gaan tekenen.” Zij ging echter nog een stapje verder. Zij vroeg aan mensen om aan haar uit te leggen hoe Plet eruit ziet en iedereen gaf een andere omschrijving. Van Chinese ogen tot dikke lippen, van een smal gezicht tot smalle lippen. Al de tekeningen van al die omschrijvingen zijn te zien tijdens Wakaman. Kaersenhout schreef ook een brief aan mensen (die zij niet kent) met de naam Plet in zowel Nederland als Suriname. Een zo’n brief kwam ook terecht bij de vader van Orfeo.
Daarin stond een vragenlijst, met als extra verzoek Orfeo te tekenen. Ook die tekeningen hangen er. “De tekenen lijken wel ontzettend op mij”, reageert Plet niet zonder verbazing op de uitkomst van die tekeningen. Nu gaat Plet teksten schrijven en koppelen aan die tekeningen, zodat het een geheel wordt. “Het moet een boodschap worden. Dit alles is nieuw voor mij en een uitstekende manier om mij ook op poetry gebied te bewijzen. Dat podium ontbreekt namelijk in Suriname. Nu kan ik mij gaan verdiepen en er veel meer uit halen.” Plet zegt ervaren te hebben dat er anders naar je wordt gekeken als je bezig bent met gedichten dan met rap. “Alsof je op een ander niveau bezig bent. Trouwens bij rap moet je minimaal 16 regels hebben om je te kunnen uiten. Bij een gedicht kun je volstaan met twee. Dit wil ik gewoon vaker gaan doen.”
Kaersenhout zegt intussen veel keerpunten te hebben meegemaakt en Wakaman is daar ook één van. “Mijn grootste streven blijft om vrijheid te vinden. Kijk, op de academie wordt je gevormd zoals de docenten willen dat je wordt. Maar daar moet jij je van bevrijden, zonder bang te zijn voor het oordeel van buiten. Ik heb me hiervan bevrijdt en heb er veel plezier in. Het kan mij dan ook niet schelen wat mensen van mij denken.”
Samen gaan Plet en Kaersenhout op zoek naar de impact die tekst en beeld zullen hebben. Het moet iets mysterieus hebben. Zij zullen dan ook zoeken naar een mooie speling van tekst en beeld, die emoties moeten losmaken. Ook na Wakaman zullen ze blijven samenwerken. Plet: “Ik ben benieuwd wie de volgende persoon is, die ze gaat omschrijven.” Kaersenhout besluit met te stellen dat er nog te weinig belangstelling is voor Surinaamse kunst in Nederland. “Er is daar ook geen podium voor. En als die er wel is, dan komt het te staan in de Bijlmer, dat voor mij het exotische verdomhoekje is.” Ook zij spreekt de hoop uit dat de expositie in Nederland zal komen te staan.-.
‘Ons altaar is een knipoog naar de toekomst’
door Rosita Leeflang
21/02/2009
Paramaribo - Wakaman drawing lines – connecting dots is de tentoonstelling die gisteren begon en tot en met 1 maart staat in Fort Zeelandia. Een apart initiatief waarbij kunstenaars uit Suriname, Nederland en de Verenigde Staten samen exposeren.
De Ware Tijd ging op de koffie met de kunstenaars en presenteerde u deze week hun verhaal. Vandaag praten wij in het laatste deel met de twee kunstenaars: Kurt Nahar en Iris Kensmil.
Kurt Nahar (Suriname) en Iris Kensmil (Nederland) zitten midden in de voorbereidingen van de expositie van hun kunststuk. Wat het wordt, weten ze al. Nu alleen nog hoe. Ze maken even tijd om te vertellen welke resultaten hun samenkomen tot nu toe heeft opgeleverd. Kensmil: “Het klikte tussen ons, dus ik geloof erin dat er iets moois uitkomt.” Nahar vult aan: “Vanaf het begin was het een open en eerlijke relatie en wij gaan elkaar steeds beter leren kennen. Dit Wakaman-proces brengt mensen bij elkaar en wij kunnen daar vrij over discussieren.”
Kensmil heeft de eerste negen jaar van haar leven in Suriname gewoond. In Nederland bezocht ze de kunstacademie en ging tekenen en schilderen. Na vier jaar in Groningen, vertrok ze naar Amsterdam waar ze een atelier huurde en er ging werken. Begonnen met de schilderijen en tekeningen, maakt ze laatste paar jaar installaties in combinatie met tekeningen en muurschilderingen. De laatste tijd is de zwarte emancipatie daar steeds meer onderdeel van. Op haar laatste tentoonstelling werkte zij meer met teksten uit Black Panther Party, een Amerikaanse beweging die vocht voor gelijke rechten. Enkele jaren geleden, tijdens haar laatste bezoek aan Suriname, kwam het gevoel om iets meer te doen met haar geboorteland naar boven drijven.
Bij Wakaman kwam ze terecht door Remy Jungerman, die haar benaderde om mee te doen. Kensmil hoorde dat ze ging samenwerken met Nahar, die op dat moment toevallig in Nederland zat. “Wij onderhielden toen veel telefonisch en e-mailcontact, maar een ontmoeting kwam er jammer genoeg niet. Toen kwamen wij tot de ontdekking dat wij dezelfde interesse hadden voor de revolutie. In 1982 was ik ook hier op vakantie en moest wennen aan de zware tijd en hoe die aanvoelde. Ik was een ander Suriname gewend. Het fascineerde me dat mensen zich toen niet konden uitspreken en dat is blijven hangen. Ik wil daar iets meer mee doen. Waarom weet ik niet. Misschien is het mijn verwerkingsproces.”
De belangstelling van Nahar voor de revolutie kwam met zijn studie op Jamaica. Terwijl zijn mede-Surinaamse studenten reeds lang een onderwerp hadden uitgezocht om mee te exposeren, worstelde Nahar nog met zijn onderwerp. “Ik was jaloers op de rest van de groep, omdat ik ook niets had om op terug te vallen, zoals Marcel Pinas die greep naar de marroncultuur. Ik kreeg een drang meer te weten te komen over de Surinaamse geschiedenis, ook omdat het voor mij onbekend was.” In die studiejaren kreeg hij dus de gelegenheid zich in de materie te verdiepen.
Eenmaal bij elkaar ontdekten de kunstenaars hun gezamenlijke interesse voor de revolutie. Een beladen onderwerp, zoals ze het zelf noemen, maar met een knipoog naar de toekomst. “Wij kunnen onze rug er niet voor keren. Voor ons is het een positieve belichting van het onderwerp.” Nahar voegt eraan toe: “Wij hebben het voorrecht erop te hameren voor de generatie die komt. Soms weten zij namelijk niets over dat proces.” Hij voegt eraan toe: ‘Ik zet mezelf niet in een hoek, wanneer het gaat om de kunst. Internationaal moet ik ook meekunnen en naarmate ik nieuwe vrienden maak, kan ik verder naar buiten treden en steeds verder komen. Ik ga over mijn grenzen heen. Wij zijn zo vaak geneigd alles van buiten te halen, maar mensen moeten ook leren over Suriname. Vandaar dit Wakaman-project.” Nahar werkt veel met gevonden materiaal, maar kiest ook voor collages.
Over Kensmil had hij al vaker gehoord en middels dit proces kan hij zelf met haar aan de slag. Of de samenwerking nog verder zal gaan, weet Nahar niet. “Dat blijft een open hoofdstuk.”
Voor Kensmil zit er veel spanning in het exposeren in Suriname. “Ik heb in verschillende steden een tentoonstelling mogen houden. Dit is echter mijn eerste keer in Paramaribo. Ik vind het raar. Ik heb hier gewoond, maar nooit gewerkt. Het is voor mij thuiskomen.”.-.

Remy Jungerman (right) one of the initiators of the project gives an opening speech while spoken word artist Ori Plet is awaiting his opening performance.

Overview of the first floor

Overview of the second floor
Below you'll find the articles as published in 'De Ware Tijd' (in Dutch)
Tentoonstelling Wakaman experimenteert met hedendaagse Surinaamse kunst
12/02/2009
Paramaribo - Van zaterdag 21 februari tot en met zondag 1 maart loopt in Fort Zeelandia de tentoonstelling Wakaman drawing lines – connecting dots. De tentoonstelling is gratis te bezichtigen.
In samenwerking met ReadyTex Art Gallery openen Gillion Grantsaan en Remy Jungerman op vrijdag 20 februari de tentoonstelling met onder anderen Stanley Sidoel, hoofd van het directoraat Cultuur van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, woordkunstenaar Ori Plet en veel hedendaagse Surinaamse kunst. In 2006 ontwikkelden de kunstenaars Gillion Grantsaan en Remy Jungerman het Wakaman-project als onderzoek naar de positie van kunstenaars van Surinaamse orgine en met als doel een aanvulling te geven op de schaarse documentatie over hedendaagse Surinaamse kunst.
Vier maanden lang hebben drie Surinaamse kunstenaars wonende in Suriname (Marcel Pinas, Ori Plet en Kurt Nahar) samen met drie Surinaamse kunstenaars wonende in Nederland (Iris Kensmil en Patricia Kaersenhout) en de Verenigde Staten (Charl Landvreugd) intensief contact met elkaar gehad. Ideeën werden uitgewisseld, beelden en concepten werden verstuurd en gesprekken werden gevoerd met als resultaat gezamelijke kunstwerken, die te zien zijn op de tentoonstelling Wakaman.
Half mei 2009 verschijnt tevens het boek Wakaman drawing lines – connecting dots, waarin uitvoerig wordt ingegaan op het project, het samenwerkingsproces en de dialoog tussen de zes kunstenaars. Het boek Wakaman wordt samengesteld door onder anderen Chandra van Binnendijk en Marieke Visser. Naast de tentoonstelling zijn er ook twee speciale events die te maken hebben met hedendaagse Surinaamse kunst.
Op zaterdag 21 februari zijn er op het balkon van het Nola Hatterman Instituut interviews met Marcel Pinas, Kurt Nahar en Rene Tosari over hun buitenland ervaringen en de verschillende kunstenaars-initiatieven in Suriname. De dag daarop wordt er in Huis 9 een lezing verzorgd door kunsthistoricus Adi Martis over Caribische kunst en wordt de AVRO-documentaire ‘Zwart Belicht’ van Tessa Boerman vertoond. De film onthult de zwarte personages op beroemde en minder beroemde kunstwerken. Beide avonden zijn gratis toegankelijk en beginnen om 19:30 uur.-.
Een apart initiatief waarbij kunstenaars uit Suriname, Nederland en de Verenigde Staten samen zullen exposeren. De Ware Tijd ging op de koffie met de kunstenaars en presenteert hun verhaal de komende dagen aan u. Maar vandaag praten wij eerst met de twee kunsthistorici die zijn meegereisd voor het project: Jan Alexander ‘Adi’ Martis en Rob Perreé.
“Op elke Nederlander die komt, moeten twee Surinamers worden uitgezonden”
“Ik hoop hier veel te zien en ga dan ook kunst en kunstcollecties opzoeken. Ik ken een paar Surinaamse kunstenaars, maar aangezien het mijn eerste keer in Suriname is, wil ik veel meer zien en horen over ze. Waar ik kan, zal ik mijn mening geven. Lering trekken is daar ook onderdeel van.” Adi Martis is Antilliaan, maar heeft bijzonder veel affiniteit met de Suriname. Hij is reeds langer dan 15 jaar bevriend met Remy Jungerman, maar kreeg in zijn jonge jaren op Aruba les van een Surinamer. In de loop der jaren is hij vaker in contact gekomen met Surinamers. Als kunsthistoricus heeft Martis altijd belangstelling gehad voor het Caribisch Gebied, hetgeen hij heeft vervat in een boek, maar ook vaak uit middels lezingen. Kunstenaars als Marcel Pinas en Kurt Nahar zijn hem bekend, maar dan meer van plaatjes.
Rob Perreé schrijft als kunsthistoricus veel over kunst en maakt ook zijn eigen tentoonstellingen. Hij heeft zich jarenlang bezig gehouden met Afrikaans-Amerikaanse kunst en met de hedendaagse Afrikaanse kunst. Perreé heeft acht maanden in de Verenigde Staten gewoond om te schrijven over de Afrikaans-Amerikaanse kunst. “Toen ik terugging naar Nederland, zei mijn buurman in de Bijlmer ‘je wordt door Surinamers omringd, maar je gaat helemaal naar Amerika om over ons te schrijven’. Deze opmerking is mij altijd bijgebleven. Ik zoek de kunstvormen op waarvoor de belangstelling enigszins is beperkt.”
Veel topkunstenaars heeft Suriname niet, maar naar zeggen van Martis moeten wij wel reëel blijven op dat stuk. “Op een inwoners aantal van 500.000, hoeveel topkunstenaars zou je kunnen hebben? Er is veel potentie”, geeft hij toe. “Zij moeten de kans krijgen om hun ding te doen.” Perreé is van mening dat een aantal Surinaamse kunstenaars veel meer belangstelling verdient. Hetgeen hij tot nu toe heeft gezien, is zeer goed. Alleen daarom zouden ze meer gepromoot moeten worden. “Ook in Nederland. Daar gebeurd het nog te weinig.” De oorzaak moet volgens de kunsthistoricus worden gezocht in onkunde en veroordeling van het onbekende. Ook voor de Afrikaanse kunst is er nauwelijks belangstelling. “Angst is daar de oorzaak van. Het westen is bang overruled te worden door andere culturen. Zij hebben eeuwenlang het heft in handen gehad en zijn bang dat kwijt te raken.” Perreé zegt veel Caribische kunst te hebben gezien: op Curacao en in Rotterdam. Als hij de Surinaamse met de Afrikaans-Amerikaanse kunst zou vergelijken, dan zit het verschil daarin dat in Amerika zwart zijn minder een issue is. “Hier speelt het nog een rol. In Amerika weet je niet dat sommige kunstwerken zijn gemaakt door een zwarte, maar dat wil niet zeggen dat ze hun afkomst verloochenen. Het is uiteindelijk kwaliteit dat telt en geen afkomst.”
Martis benadrukt dat het contact met de regio belangrijk is. “Wat schieten wij op met veel geld? Voor elke Nederlander die er komt, zouden twee Surinamers moeten worden uitgezonden. Ook naar de regio (bijvoorbeeld Cuba die een goede kunstacademie heeft) of de Verenigde Staten. Er is nu veel geld en Suriname stroomt vol met de Nederlanders, waar wat heeft het land eraan? Ik maak me daar echt zorgen over.” De kunst in Suriname moet meer gestimuleerd worden en de midden klasse zou meer moeten kopen van de eigen mensen. De jeugd moet ook in de gelegenheid worden gesteld om kunst te zien. Perreé heeft ook een uitgesproken mening op dit stuk. “Dit zijn snoepreisjes voor ons. Wat mij mateloos stoort, is dat steeds meer Nederlandse deskundigen naar Suriname komen, terwijl de Surinamer uitstekend in staat zijn het zelf te doen. Wij hoeven ons er echt niet mee te bemoeien. Marcel Pinas weet toch zelf wel hoe hij mensen hier moet bemoedigen in de kunst?”
Martis vindt dat de kunst op dit moment nog heel erg westers is. “Kunstenaars moeten proberen hun eigen thema’s te gebruiken. Nu is het niet echt en zien we steeds palmbomen, strand of ondergaande zon. Maar ze zouden meer moeten doen vanuit de eigen geschiedenis. Zoals bijvoorbeeld de marronkunst, die ontzettend uniek is.” Kunstenaars moeten uit het traditionele durven te stappen, gaat de kunsthistoricus verder, en moeten zij uitkijken voor folklorisme.
Voor Suriname begon de verandering in de jaren 60, met de terugkeer van nationalisten als Eddy Bruma uit Nederland. Daarna kwam er een nieuwe generatie met nieuwe ideeën, een proces dat nog steeds aan het groeien is.
Van Wakaman verwacht Martis veel. Het proces naar de tentoonstelling toe, is echter van grotere waarde. Het idee voor Wakaman ontstond in 2005, toen ook de eerste Wakaman tentoonstelling werd gehouden in Rotterdam door Remy Jungerman, Michael Tedja en Gillion Graanzand. Zij nodigden toen Dwight Marica uit voor deelname. “Er moet over worden nagedacht wat we zijn en hoe gaan we verder. Hoe zoeken wij contact met het moederland? De interactie is belangrijk en ik hoop dat het dingen losmaakt. Ik hoop dat Wakaman blijft lopen en iets genereert.” Waar nodig zal Martis helpen aan dit proces. Op zondag 22 februari geeft hij een lezing over Caribische kunst.
Voor Perreé is Wakaman een en al spanning, aangezien hij niet weet wat er gaat gebeuren. “Dit noem ik pas uitwisseling dat beide groepen elkaar respecteren. Ik zie het project als een fase in de ontwikkeling van de Surinaamse kunst.” De kunsthistoricus zal over deze ervaring een boek schrijven, maar ook artikelen neerpennen voor tijdschriften. “Wat hier gebeurd, breng ik onder de aandacht van een breder publiek. Ik hoop dat de tentoonstelling ook naar Nederland komt.”-.
Morgen een gesprek met de kunstenaars Marcel Pinas en Charl Landvreugd.
door Rosita Leeflang
19/02/2009
Paramaribo - Wakaman drawing lines – connecting dots is de tentoonstelling die komende vrijdag begint en tot en met 1 maart zal staan in Fort Zeelandia. Een apart initiatief waarbij kunstenaars uit Suriname, Nederland en de Verenigde Staten samen zullen exposeren.
De Ware Tijd ging op de koffie met de kunstenaars en presenteert u deze week hun verhaal. Vandaag praten wij met de kunstenaars Marcel Pinas en Charl Landvreugd, die bij elkaar zijn gebracht om te exposeren.
“Wij willen mensen bewegen over dingen na te denken”
Terwijl Marcel Pinas (Suriname) spullen uit zijn auto overbrengt naar de expositie ruimte, neemt Charl Landvreugd (New York) alles nog langzaam in zich op. Na 27 jaar niet meer in zijn geboorteland te zijn geweest, is dat te begrijpen. Al nippend aan bekertje koffie neemt hij uiteindelijk plaats en vertelt over zijn levensloop. Als jongen van vier vertrok Landvreugd naar Nederland en vestigde zich in Rotterdam. Landvreugd kwam daarna nog een keer terug, in de jaren 80, maar vestigde zich uiteindelijk in de Verenigde Staten en woont nu in Manhatten, New York. “Ik ben nooit teruggekomen vanwege al de verhalen die ik hoorde. Dat we hier verraders werden genoemd, omdat wij het land hadden verlaten”, gaat hij in op de reden waarom het bijna drie decennia heeft geduurd alvorens hij weer voet op Surinaamse bodem zette. “Ik hoorde dat mensen niet blij met ons waren. Maar ik ben blij dat ik er ben. Het is er zo mooi”, veranderd de toon in zijn stem. “De mensen zijn vriendelijk en ik voel me thuis. Ik ben echt thuis gekomen.”
Het is niet verwonderlijk dat Landvreugd zijn levenswandel hem in de richting van de kunst bracht, want zoals hij zelf vertelt, is hij als kind altijd anders geweest. “Ik heb als kind ballet gedanst, maar moest stoppen vanwege een blessure.” Landvreugd heeft ook gemodelleerd, maar keerde terug naar de danswereld. Hij werd creative director van een discotheek in Nederland, waarbij alle acts door hem zelf werden bedacht. Maar daar kreeg de kunstenaar na een poos genoeg van. “Mijn handen jeukten mij. Echt letterlijk, dus besloot ik mijn leven als kunstenaar te wijden en begon aan een collage van portretten.” Tot zijn grote verbazing werd hij aangenomen op de prestigieuze Goldsmith’s Academie in London, Engeland, waar hij zich ging toeleggen op filosofie. Op dit moment is hij bezig met zijn masters in Critical Studies, met de concentratie op zwarte diaspora.
Nu maakt Landvreugd sinds vier jaren sculpturen en video’s. “Toen ik mijn allereerste sculptuur maakte, zag ik het tot leven komen. Mijn hart sprong op. Het is een ding op zich, met een andere dimensie.” De sculpturen van de kunstenaar zijn koppen en hoofden en worden op de grond geplaatst. Het gaat namelijk om zwarte traditionele kunstvoorwerpen, die gebruiksvoorwerpen zijn. Het gaat in deze niet om de westerse kunst, waar je slechts naar kijkt. “Kunst in de zwarte cultuur is geïntegreerd in het mens zijn.” Naast sculpturen is Landvreugd ook beeldverslaafd. Hij is gek op reclame en films. Vijf jaar geleden maakte hij zijn eerste film met zijn mobiele camera. Het editen doet hij op de computer. “Het materiaal is vaag. Maar het is precies die vaagheid die ik wil, want dat is de kwaliteit die je krijgt, die symbool staat voor zoveel andere dingen in het leven.”
Pinas is intussen aangeschoven en luistert geboeid naar de uiteenzetting van Landvreugd. Zelf is Pinas ooit eens ook begonnen als schilder, maar wilde op een bepaald moment meer dan dat. “Ik wilde de gewone man ook bereiken en kon dat niet alleen met mijn schilderijen. Ik moest 3D gaan werken.” Nu is Pinas vooral bekend om zijn installaties op openbare plekken. Daarbij maakt de kunstenaar gebruik van objecten uit de marron cultuur. “Ik wil ze confronteren met wat ik maak. Het heeft een zekere lading en bewustwording.”Deze twee kunstenaars, die de traditionele kunst achter zich hebben gelaten, hebben elkaar sinds enkele dagen ontmoet, maar komen elke dag opnieuw achter hun gezamenlijke interesses. Het komen op een idee voor hetgeen zij tentoon willen stellen tijdens Wakaman, was dan ook snel gevonden. “Wij willen werkstukken in een vitrine kast plaatsen. Er komen onder andere medicijn flessen uit het binnenland, die symbool staan voor kennis”, zegt Pinas. Het werk van de mannen overlapt elkaar. Voor Pinas is het kibri yu culturu en voor Landvreugd is het hoe breng je daar verandering in. Landvreugd: “Er zit veel kennis in de flessen, die mensen niet hebben. De andere kennis zit in boeken en wij laten deze twee met elkaar verstrengelen. Ik wil dan ook werken met lokaal materiaal.” Door zijn speciale relatie met suikerriet, zal Landvreugd met dit materiaal exposeren. “Suikerriet heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van kennis in Europa. Ik omhels het slaven verleden, maar ik heb ook rechten in Europa, want door de suikerriet is het daar allemaal tot stand gekomen.”
De kunstenaars weten dat hun werk vragen zal oproepen. Dat is juist waar ze naar toe willen. Discussie. “We willen de mensen triggeren, zodat zij gaan nadenken over dingen. Ze mogen ook boos worden op datgene dat ze zien. Emotie: daar gaat het om.” Pinas vervolgt. “Mensen denken echt dat het gemakkelijk is om een kunststuk in elkaar te zetten. Maar dat is het geenszins. Het is een vak op zich. En als je goed bent, hoop je dat je het publiek kunt vervoeren door de schoonheid, maar ook bewegen over dingen na te denken.”
Dat zij aan elkaar zijn gelinkt, vinden de kunstenaars fantastisch. Pinas: “Het klikte gelijk en wij zijn een grote ondersteuning naar elkaar toe. Charl komt zeker terug voor een project in Marowijne.”
“Wij zijn op dezelfde dag in het zelfde jaar geboren (22 maart 1971...red),” bekend Landvreugd al lachend. Ze blijven beiden een moment stil, alsof ze dit gegeven moeten laten bezinken. Een mooi moment was het zeker toen ze daarachter kwamen. Dan gaat Pinas verder. “Samenwerking tussen kunstenaars is belangrijk. Het wordt tijd dat wij onze plek in de wereld gaan opeisen. Maar daarvoor moeten wij eerst bij elkaar komen en Wakaman biedt daartoe een uitstekende gelegenheid.” Voor Landvreugd wordt het zijn eerste grote expositie. Trots is hij dat dit in Suriname gebeurd.-.
Morgen een gesprek met de kunstenaars Orfeo Plet en Patricia Kaersenhout
Tekst en beeld moeten emoties losmaken
door Rosita Leeflang
20/02/2009
Wakaman drawing lines – connecting dots is de tentoonstelling die vandaag begint en tot en met 1 maart zal staan in Fort Zeelandia. Een apart initiatief waarbij kunstenaars uit Suriname, Nederland en de Verenigde Staten samen exposeren. De Ware Tijd ging op de koffie met de kunstenaars en presenteert u deze week hun verhaal. Vandaag praten wij met de kunstenaars Orfeo ‘Ori’ Plet en Patricia Kaersenhout, die bij elkaar zijn gebracht om te exposeren.
Hij is een rapper in Suriname. De man van de spoken words. Zij doet aan beeldende kunst in Nederland. En legt emoties vast. Orfeo ‘Ori’ Plet (30) en Patricia Kaersenhout (42) zijn voor deze kunstexpositie samen gebracht. Plet vertelt dat het allemaal op zijn veertiende begon. Hij deed mee aan een benefietavond van de school en is er nog steeds mee bezig. “Het was nooit de bedoeling dat het zo ver zou komen.” Met zijn werk laat hij zich uit over het alledaagse leven: criminaliteit, discriminatie, respect, geloof.

dWT foto / Werner Simons
Patricia Kaersenhout (l) en Orfeo 'Ori' Plet voor het bord met de vele gezichten van Plet. Dit bord is ook onderdeel van de tentoonstelling.
In het verleden heeft hij vaker opgetreden in de Anthony Nesty Sporthal of tijdens hiphopavonden. Maar Plet was ook onderdeel van Bolletjes Blues Estafette en Crime Jazz. “Mijn doel is om mensen te bundelen en ze meegeven dat ze niet alleen in de strijd staan. Iedereen is ongeveer hetzelfde, maar toch heeft iedereen iets anders. Ook door de omgeving waarin we zitten. Wij zijn allemaal ledematen van één lichaam en proberen daar het beste van te maken.”
Kaersenhout heeft de kunstacademie in Amsterdam doorlopen en werkt met verschillende disciplines. “Ik werk met de dingen die een beetje horen bij het zwart zijn. De rode draad in mijn werk is de zichtbaarheid van zwarte mensen in een blanke samenleving.” De kunstenares is een tijd ook docent geweest en kwam erachter dat in de maatschappij van de 17e eeuw het zwart zijn verdween door de kleur die werd gebruikt. Ook in letterlijke zin gebeurde dat. “Dat heeft me aan het denken gezet. Ik ben toen mensen uit Suriname gaan schilderen op een donkere achtergrond, met gebruik making van lichtere plekken waardoor ze worden opgelicht.”
Toen kreeg Kaersenhout het boek Invisible Man in handen. Het verhaal speelt zich af in de jaren 40, waarbij de hoofdpersoon er alles aan doet om gezien te worden in de maatschappij. Hij gaat vervolgens in een kelder leven verlicht door 1369 lampen. En zo zit het boek vol paradoxen. “Dit boek heeft veel in mij losgemaakt in mijn werk.”
De kunstenaars zijn vanuit hun eigen achtergrond nagegaan wat hen bindt en kwamen uit op deze ‘onzichtbaarheid’. Kaersenhout: “Er zijn dingen gebeurd die wij niet kunnen verklaren, maar wel heel bijzonder zijn. Ik had Ori nog nooit gezien en ben hem toch gaan tekenen.” Zij ging echter nog een stapje verder. Zij vroeg aan mensen om aan haar uit te leggen hoe Plet eruit ziet en iedereen gaf een andere omschrijving. Van Chinese ogen tot dikke lippen, van een smal gezicht tot smalle lippen. Al de tekeningen van al die omschrijvingen zijn te zien tijdens Wakaman. Kaersenhout schreef ook een brief aan mensen (die zij niet kent) met de naam Plet in zowel Nederland als Suriname. Een zo’n brief kwam ook terecht bij de vader van Orfeo.
Daarin stond een vragenlijst, met als extra verzoek Orfeo te tekenen. Ook die tekeningen hangen er. “De tekenen lijken wel ontzettend op mij”, reageert Plet niet zonder verbazing op de uitkomst van die tekeningen. Nu gaat Plet teksten schrijven en koppelen aan die tekeningen, zodat het een geheel wordt. “Het moet een boodschap worden. Dit alles is nieuw voor mij en een uitstekende manier om mij ook op poetry gebied te bewijzen. Dat podium ontbreekt namelijk in Suriname. Nu kan ik mij gaan verdiepen en er veel meer uit halen.” Plet zegt ervaren te hebben dat er anders naar je wordt gekeken als je bezig bent met gedichten dan met rap. “Alsof je op een ander niveau bezig bent. Trouwens bij rap moet je minimaal 16 regels hebben om je te kunnen uiten. Bij een gedicht kun je volstaan met twee. Dit wil ik gewoon vaker gaan doen.”
Kaersenhout zegt intussen veel keerpunten te hebben meegemaakt en Wakaman is daar ook één van. “Mijn grootste streven blijft om vrijheid te vinden. Kijk, op de academie wordt je gevormd zoals de docenten willen dat je wordt. Maar daar moet jij je van bevrijden, zonder bang te zijn voor het oordeel van buiten. Ik heb me hiervan bevrijdt en heb er veel plezier in. Het kan mij dan ook niet schelen wat mensen van mij denken.”
Samen gaan Plet en Kaersenhout op zoek naar de impact die tekst en beeld zullen hebben. Het moet iets mysterieus hebben. Zij zullen dan ook zoeken naar een mooie speling van tekst en beeld, die emoties moeten losmaken. Ook na Wakaman zullen ze blijven samenwerken. Plet: “Ik ben benieuwd wie de volgende persoon is, die ze gaat omschrijven.” Kaersenhout besluit met te stellen dat er nog te weinig belangstelling is voor Surinaamse kunst in Nederland. “Er is daar ook geen podium voor. En als die er wel is, dan komt het te staan in de Bijlmer, dat voor mij het exotische verdomhoekje is.” Ook zij spreekt de hoop uit dat de expositie in Nederland zal komen te staan.-.
‘Ons altaar is een knipoog naar de toekomst’
door Rosita Leeflang
21/02/2009
Paramaribo - Wakaman drawing lines – connecting dots is de tentoonstelling die gisteren begon en tot en met 1 maart staat in Fort Zeelandia. Een apart initiatief waarbij kunstenaars uit Suriname, Nederland en de Verenigde Staten samen exposeren.
De Ware Tijd ging op de koffie met de kunstenaars en presenteerde u deze week hun verhaal. Vandaag praten wij in het laatste deel met de twee kunstenaars: Kurt Nahar en Iris Kensmil.
Kurt Nahar (Suriname) en Iris Kensmil (Nederland) zitten midden in de voorbereidingen van de expositie van hun kunststuk. Wat het wordt, weten ze al. Nu alleen nog hoe. Ze maken even tijd om te vertellen welke resultaten hun samenkomen tot nu toe heeft opgeleverd. Kensmil: “Het klikte tussen ons, dus ik geloof erin dat er iets moois uitkomt.” Nahar vult aan: “Vanaf het begin was het een open en eerlijke relatie en wij gaan elkaar steeds beter leren kennen. Dit Wakaman-proces brengt mensen bij elkaar en wij kunnen daar vrij over discussieren.”
Kensmil heeft de eerste negen jaar van haar leven in Suriname gewoond. In Nederland bezocht ze de kunstacademie en ging tekenen en schilderen. Na vier jaar in Groningen, vertrok ze naar Amsterdam waar ze een atelier huurde en er ging werken. Begonnen met de schilderijen en tekeningen, maakt ze laatste paar jaar installaties in combinatie met tekeningen en muurschilderingen. De laatste tijd is de zwarte emancipatie daar steeds meer onderdeel van. Op haar laatste tentoonstelling werkte zij meer met teksten uit Black Panther Party, een Amerikaanse beweging die vocht voor gelijke rechten. Enkele jaren geleden, tijdens haar laatste bezoek aan Suriname, kwam het gevoel om iets meer te doen met haar geboorteland naar boven drijven.
Bij Wakaman kwam ze terecht door Remy Jungerman, die haar benaderde om mee te doen. Kensmil hoorde dat ze ging samenwerken met Nahar, die op dat moment toevallig in Nederland zat. “Wij onderhielden toen veel telefonisch en e-mailcontact, maar een ontmoeting kwam er jammer genoeg niet. Toen kwamen wij tot de ontdekking dat wij dezelfde interesse hadden voor de revolutie. In 1982 was ik ook hier op vakantie en moest wennen aan de zware tijd en hoe die aanvoelde. Ik was een ander Suriname gewend. Het fascineerde me dat mensen zich toen niet konden uitspreken en dat is blijven hangen. Ik wil daar iets meer mee doen. Waarom weet ik niet. Misschien is het mijn verwerkingsproces.”
De belangstelling van Nahar voor de revolutie kwam met zijn studie op Jamaica. Terwijl zijn mede-Surinaamse studenten reeds lang een onderwerp hadden uitgezocht om mee te exposeren, worstelde Nahar nog met zijn onderwerp. “Ik was jaloers op de rest van de groep, omdat ik ook niets had om op terug te vallen, zoals Marcel Pinas die greep naar de marroncultuur. Ik kreeg een drang meer te weten te komen over de Surinaamse geschiedenis, ook omdat het voor mij onbekend was.” In die studiejaren kreeg hij dus de gelegenheid zich in de materie te verdiepen.
Eenmaal bij elkaar ontdekten de kunstenaars hun gezamenlijke interesse voor de revolutie. Een beladen onderwerp, zoals ze het zelf noemen, maar met een knipoog naar de toekomst. “Wij kunnen onze rug er niet voor keren. Voor ons is het een positieve belichting van het onderwerp.” Nahar voegt eraan toe: “Wij hebben het voorrecht erop te hameren voor de generatie die komt. Soms weten zij namelijk niets over dat proces.” Hij voegt eraan toe: ‘Ik zet mezelf niet in een hoek, wanneer het gaat om de kunst. Internationaal moet ik ook meekunnen en naarmate ik nieuwe vrienden maak, kan ik verder naar buiten treden en steeds verder komen. Ik ga over mijn grenzen heen. Wij zijn zo vaak geneigd alles van buiten te halen, maar mensen moeten ook leren over Suriname. Vandaar dit Wakaman-project.” Nahar werkt veel met gevonden materiaal, maar kiest ook voor collages.
Over Kensmil had hij al vaker gehoord en middels dit proces kan hij zelf met haar aan de slag. Of de samenwerking nog verder zal gaan, weet Nahar niet. “Dat blijft een open hoofdstuk.”
Voor Kensmil zit er veel spanning in het exposeren in Suriname. “Ik heb in verschillende steden een tentoonstelling mogen houden. Dit is echter mijn eerste keer in Paramaribo. Ik vind het raar. Ik heb hier gewoond, maar nooit gewerkt. Het is voor mij thuiskomen.”.-.